×

Sevagram

de heer Sjef Veerkamp geboren 1934

Twee dagen voor de bevrijding van Maastricht werd mijn broer dodelijk getroffen door een granaatscherf…

“Ik was 7 jaar toen de oorlog uitbrak”, vertelt Sjef Veerkamp. “Wij woonden aan de Tongerseweg in Maastricht. In een huis waar nu de Sauterneslaan is. We hadden een groot gezin, ik had nog 6 broers en 5 zussen. Mijn vader werkte voor het uitbreken van de oorlog voor een Amerikaans bedrijf, Colgate Palmolive Handels Mij. Dat mocht niet meer van de Duitsers, dus moest hij op zoek naar ander werk.

Mede door zijn vele contacten kreeg hij een baantje als huisvestingsambtenaar bij de gemeente. Daar had hij ook inzage in dossiers waardoor hij in het geheim kon bijhouden welke bezittingen door de Duitse bezetters werden geconfisqueerd. Dat waren veelal bezittingen van Joden. Ook vond hij dossiers van Joden die gevlucht waren. Deze dossiers heeft mijn vader ‘kwijt gemaakt’. Hierdoor werd hij op een gegeven moment door de Duitsers en NSB-ers op het matje geroepen. Omdat hij pas 3 weken op deze functie zat, kon hij zich hieruit praten. Maar de toon was gezet. Wij werden door de Duitsers en NSB-er in de gaten gehouden.

Dat zorgde voor spanning, onrust en met enige regelmaat werden wij thuis, ‘s avonds of ’s nachts, van ons bed gelicht en ondervraagd. Apart, om te horen of we allemaal hetzelfde verhaal vertelden…

Achteraf, zo heb ik begrepen, werd aan de keukentafel een ander verhaal verteld dan de ‘waarheid’. Zodat alle kinderen de onjuiste informatie konden delen met de ‘moffen’. Alleen vader en moeder kenden het echte verhaal. Dappere mensen, mijn ouders…

In het begin van de oorlog was het voor ons redelijk rustig. Ondanks dat mijn vader in het geheim dossiers bijhield en hij op zolder luisterde naar de verboden Engelse BBC-zender. Eén van mijn broers kon Engels waardoor hij de berichten voor mijn vader kon vertalen. De belangrijkste boodschap werd dan uitgetypt en gedeeld met geheime adressen. De jongste kinderen brachten deze berichtjes rond. Ook dat was spannend. We deden dat meestal spelenderwijs en altijd in een andere volgorde. Want wij werden door de NSB-ers in de buurt in de gaten gehouden. Want wij stonden bekend als anti-Duits.

In 1943 werd het grimmiger… De Duitsers hadden mankracht nodig om de oorlogsindustrie draaiende te houden. Iedere man tussen de 18 en 35 jaar werd verzocht zich te melden op het station om naar Duitsland te gaan… werkkamp.

Mijn vader zou mijn broer Jo naar het station moeten brengen. Hij was 21 jaar en had van de Duitser een meldplicht gekregen. Mijn vader had enige contacten in het verzet waardoor hij mijn broer midden in de nacht met de auto naar een onderduikadres heeft gebracht in Overloon (Noord-Limburg). Dat was uiteraard niet zonder gevaar.

Aan de ontbijttafel werd verteld dat Jo naar het station was gebracht om naar Duitsland te gaan. De moffen en de NSB-ers vertrouwden het niet en kwamen steeds meer huiszoekingen doen. Ze namen alles mee wat ze konden gebruiken. Dat waren voor ons als kinderen best wel angstige momenten. Ze namen zelfs onze fietsen en de auto van mijn vader mee én er werd tegen ons huis en op de ramen de tekst aangebracht ‘hier heerst de Engelse ziekte’.

Dat was een middel om ons te isoleren van onze buren en vrienden. Want de ‘Engelse ziekte’ was een zeer besmettelijke botontkalkingsziekte.

Toen de invasie startte in Normandië (6 juni 1944) werd dagelijks naar de radio geluisterd. Op die manier konden we de vorderingen volgen. We hadden zelfs een kaart ophangen waarop we met speldjes bijhielden hoever de geallieerden waren opgerukt. Als we bezoek kregen, werd die kaart onder het tapijt gelegd.

Vanaf het moment dat de geallieerden in Normandië bezig waren met het verjagen van de Duitsers werd het ook bij ons onrustig. Bij ‘lichte’ onrust gingen we schuilen in onze eigen kelder, maar als er een ernstige dreiging was, dan werd er samen met de buren geschuild in de grote schuilkelder van het verderop gelegen klooster van de broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria (lerarenopleiding).

Op 12 september 1944 zaten we ook in de grote schuilkelder omdat de Amerikanen steeds dichterbij kwamen. Ze zaten inmiddels bij Tongeren, slechts 10 kilometer van de Belgisch/Nederlandse grens. Er werd veel geschoten en gebombardeerd. Dagelijks ging mijn vader, broer en zus naar ons huis om eten te halen. Dat was uiteraard best gevaarlijk. Zij zaten gedurende een bombardement in onze eigen kelder. Na enkele uren werd het signaal ‘veilig’ gegeven waardoor ze uit de kelder konden komen. Mijn broer Paul liep samen met mijn vader als eersten de trap op naar boven om naar de keuken te gaan. Kijkend uit het keukenraam hoorden ze een knal en een gil… een granaatscherf vloog door het keukenraam en trof mijn broer Paul in de lies, een slagaderlijke bloeding werd hem fataal. Hij stierf in de armen van mijn vader. Mijn vader moest zonder Paul naar de grote schuilkelder waar moeder met de andere kinderen zat om daar te vertellen dat Paul er niet meer was…

Het cynische is dat Maastricht twee dagen later bevrijd werd.

Mijn broer Jo was nog steeds werkzaam in Duitsland, meenden wij. Maar na de bevrijding van Maastricht vertelde mijn vader dat Jo in Noord-Limburg was ondergedoken. Dat moest nog bevrijd worden. De Duitsers die aan het terugtrekken waren, lieten overal mijnenvelden achter om de geallieerden te stoppen. Ook in de buurt van Overloon. Dat zorgde wederom voor onrust, want we hadden al een hele tijd niks meer van Jo gehoord.

De opmars naar het noorden kwam op een laag pitje te staan omdat alle mankracht van de geallieerden nodig was in de Ardennen vanwege het Ardennenoffensief, dat duurde tot januari 1945.

Inmiddels was ook Noord-Limburg bevrijd. Jo, onze ondergedoken broer, stond in januari 1945 voor de deur. Bijna onherkenbaar, sterk vermagerd, op klompen en in een overall. Hij was via België naar het zuiden gevlucht. Later hoorden we dat hij één van de weinigen was die het onderduikadres overleefd had. Veel ‘maatjes’ waren omgekomen op de mijnenvelden.

De oorlog was voorbij, zonder Paul en gelukkig weer met Jo. En vader die heeft vanwege zijn verdienste voor de Joodse gemeenschap een bord gekregen. Een bord dat de Gemeente Maastricht speciaal heeft laten maken voor mensen die in de oorlog een bijzondere bijdrage hebben geleverd.

Een bijdrage waar de Joodse gemeenschap mijn vader nog steeds dankbaar voor is. Ze konden hun huizen en eigendommen terugvorderen omdat de documentatie na de oorlog weer ‘terecht’ was. Vanuit mijn vaders persoonlijk archief…

Nog steeds sta ik op 12 september stil bij het overlijden van mijn broer Paul. Dat zal ik ook altijd blijven doen… als eerbetoon en omdat het zo’n oneerlijk overlijden was.

Sjef Veerkamp

   

0900 777 4 777

+