×

Sevagram

de heer Einmahl geboren 20 augustus 1929

De ‘Prüse’ waren aan het terugtrekken...

Dhr. Einmahl was 15 jaar toen Lemiers en Vaals werden bevrijd. In die tijd woonde de familie Einmahl tegenover d’r Piethaan – nu Hotel Drielanden. Vader, moeder en 10 kinderen waarvan de heer Einmahl de oudste jongen was. 

“We hadden destijds een eigen groentetuin en wat vee. Dat vee moesten we aanmelden bij het gemeentehuis. Dat hebben we gedaan. We hadden formeel één varken, het andere varken hadden we verstopt. Totdat het tijd was om het te slachten. Dat werd clandestien gedaan door een bevriende slager. Nadat hij het varken gedood had wilde hij de haren eraf schrapen in een buut (teil) warm water maar dat lukte niet. We kregen het water niet aan de kook. Op de hooizolder hadden we stro liggen. Dat hebben we toen naar de kelder gebracht en daar in brand gestoken. Zo hebben we de haren van het varken afgebrand. Kun je je voorstellen hoeveel rook en stank er in die kelder hing?”, vertelt de heer Einmahl lacherig.

“De koeien in de wei bij Mamelis stonden op een gegeven moment verschrikkelijk te loeien. Die hadden last van te zware uiers omdat ze niet meer gemolken werden. Mijn moeder was opgegroeid op een boerderij en wist hoe ze dat moest aanpakken. Ze is toen samen met enkele kinderen de koeien gaan melken. Melk in overvloed, waar we ook nog boter van gemaakt hebben”, vertelt de heer Einmahl met z’n handen schuddend. “De melk werd in flessen opgeschud om er boter van te maken.” Alsof hij het hele proces opnieuw beleeft.

“Mijn broer had oren als een luistervinkje. Hij kon ‘bij wijze van’ horen wanneer de vliegtuigen in Engeland opstegen. Wij hadden ze dan nog niet gehoord of mijn broer kwam aanrennen ‘ze komen eraan’. We maakten ons dan uit de voeten om te gaan schuilen in “het kanaal” (de betonnen tunnelbuis) onder de weg. In die buis liep een beekje. Om geen natte voeten te krijgen is mijn vader met de ‘sjoepkar’ (kruiwagen) houten planken gaan halen bij familie in Wahlwiller die een houtzagerij hadden.

Op de stenen is toen een vlonder gemaakt en de uiteinden van de tunnel zijn dichtgemaakt met balen stro, zodat we enigszins beschut zaten. Dat geluid van die vliegtuigen zal ik nooit meer vergeten…”

“Die vliegtuigen gingen allemaal naar Aken. Een navigatie hadden ze niet waardoor de piloten niet goed wisten wanneer ze de bommen moesten laten vallen. Er werd vuur gemaakt dat zicht en richting gaf aan de piloten. Af en toe viel er toch een bom… waarvan eentje dicht bij onze provisorisch gemaakte schuilplek waarin ook een gasleiding liep. Gelukkig zonder veel schade.”

“We moesten ’s avonds onze ramen verduisteren. Vader had dat gedaan met triplex. Maar één plaat was voorzien van een kijkgat. Als hij wilde kijken wat zich buiten afspeelde, haalde hij de kurk uit het gat. Dan konden we toch enigszins volgen wat er gebeurde. Het waren bijzondere tijden. Angstige tijden…”, vertelt hij bedrukt.

“Het buurtschap Piethaan bestond in die tijd uit ongeveer 8 woningen. Wij werden bevoorraad vanuit Vaals, dat wil zeggen dat de bakker, de slager en de kolenboer uit Vaals ons spullen kwamen brengen. Tijdens de periode van ‘niemandsland’ kon niemand meer Vaals in of uit. Wij, net buiten Vaals, kregen geen spullen meer. Dat was voor ons een periode van onzekerheid. 

De ‘Prüse’ waren aan het terugtrekken en de Amerikanen waren bezig met een opmars maar verder dan Nijswiller durfden de Amerikanen niet te gaan. Ze stuitten op te zwaar geschut dat van het nabij gelegen Orsbach kwam. 
Tijdens de aftocht hadden de ‘Prüse’ alle bomen op de Rijksweg neergehaald zodat de hele weg gebarricadeerd was. Bij ons voor de deur stond een grote eik. Bang dat deze op ons huis zou vallen, is mijn vader gaan vragen deze boom te sparen. Dat hebben ze gelukkig gedaan…

Die Amerikanen hadden materieel, dat was ongelooflijk. We keken onze ogen uit. De barricade van bomen was dan ook binnen no-time opgeruimd. Met bulldozers werden de bomen aan de kant geschoven. Achter de bulldozer werd meteen geschut opgebouwd om de Duitsers te verjagen…”

In Lemiers had je een basisschool tot en met de 6e klas. Klas 7 en 8 ging je volgen in Vaals. Tijdens de periode van ‘niemandsland’ konden ook wij Vaals niet in waardoor wij geen school hadden.”

“Duits, dat konden we wel in deze regio. Maar toen de Amerikanen vroegen waar ‘Germany’ was, wisten we niet wat ze bedoelden. We vertelden dat de grens 3 kilometer verder was…”, vertelt de heer Einmahl.

“En… we hadden ook nog nooit een donkere man gezien”, vult mevrouw Einmahl aan. “Dat was wel heel speciaal…”

“Van de Amerikanen kregen we kauwgom en sigaretten. Die sigaretten waren voor pap. Thuis werden de sigaretten ontmanteld voor de tabak. Die werd dan via de pijp opgerookt. 

Tabak werd ook vanuit België gesmokkeld. Ene ‘Pelzer’ (familienaam) stond bekend als een smokkelaar, dat was ‘Pelzersgedoans’. Hij liep dan via het bos naar België en kapte onderweg takjes van de bomen. Dan was het voor hem duidelijk om dezelfde route terug te lopen. En stropen… dat deden we ook. We maakten van spruitjesstronken een val door de stam langzaam te buigen met een strop eraan. Als een konijn dan van de spruitjes ging eten, werd hij gevangen in de strop.

“Kort na de bevrijding zijn in het klooster van Mamelis ‘Hollenders’ opgevangen. Mannen die vanuit Nederland in Duitsland te werk gesteld waren. Die kwamen weer allemaal terug naar Nederland, maar terug naar huis – Rotterdam – kon nog niet omdat die stad nog niet bevrijd was. Vandaar dat ze bij ons in het klooster werden opgevangen. Omdat ze niks omhanden hadden, hebben ze toen onze tuin verzorgd. Jaren na de oorlog hebben we met één van hen nog contact gehouden. Hij kwam in Limburg op vakantie…” 

“Tja, jong, de oorlog… dat waren angstige tijden. Het geluid van die vliegtuigen en het ‘fluiten’ van de bommen die uit de lucht vielen. Geluiden en herinneringen die ik nooit zal vergeten”, besluit de heer Einmahl.
 

0900 777 4 777

+